Snel naar Autoterm support
Geeft je Autoterm een foutcode? Noteer de code en controleer eerst de basiszaken: accuspanning, vrije luchtinlaat, vrije warme-luchtuitlaat, brandstofniveau, brandstofleiding en uitlaatroute. Start de kachel niet eindeloos opnieuw als dezelfde fout terugkomt.
Wat doe je eerst bij een foutcode?
- Noteer de foutcode exact.
- Controleer of de accu voldoende spanning houdt tijdens het starten.
- Controleer luchtinlaat en luchtuitlaat op blokkering.
- Controleer brandstof en brandstofleiding.
- Laat de installatie nakijken als de fout terugkomt.
Veilige diagnosevolgorde
Code, bedrijfsfase en omstandigheden.
Onderbreek de voeding niet tijdens de purge.
Spanning, brandstof, luchtinlaat en uitlaat.
Blijf niet herstarten bij rook, geur of herhaalde uitval.
Overzicht van de Foutcodes
Contacteer ons in geval van foutmeldingen.
Hoe ver ga je zelf met de diagnose?
Dit kun je veilig controleren
Noteer de code en controleer accuspanning, zekeringen, brandstofniveau, zichtbare stekkers en vrije warme-luchtinlaat en -uitlaat. Controleer aan de buitenzijde of verbrandingslucht en uitlaat niet geblokkeerd zijn.
Demonteer dit niet zonder vakkennis
Open de branderkamer, regelunit, ventilatormotor of brandstofpomp niet alleen op basis van een foutcode. Een code wijst een richting aan, maar bewijst niet automatisch welk onderdeel defect is.
Geef deze informatie door bij service
Vermeld het kachelmodel, de foutcode, accuspanning tijdens starten, buitentemperatuur, brandstofniveau, wat de kachel vóór de stop deed en welke controles al zijn uitgevoerd. Foto's van montage en aansluitingen versnellen de diagnose.
| Foutcode | Beschrijving | Oorzaak van de fout | Mogelijke oplossing |
|---|---|---|---|
| 01 | Oververhitting van de warmtewisselaar | De sensor stuurt een signaal om de verwarming uit te schakelen. De temperatuur in het sensorgebied is hoger dan 250°C. |
|
| 02 | Mogelijke oververhitting bij de inlaatsensor. Sensor meet meer dan 55°C | De regelunit wordt onvoldoende gekoeld tijdens de 5 minuten purgefase vóór opstart of oververhitting van de regelunit tijdens gebruik. |
|
| 04 / 06 | Defecte temperatuursensor in de regelunit | De temperatuursensor is defect (geïntegreerd in de regelunit) en kan niet worden vervangen. | Vervang de regelunit. |
| 05 | Defecte temperatuursensor (AIR-2D) of vlamsensor | Kortsluiting naar de behuizing of een onderbreking in de bedrading van de sensor. | Controleer de sensor en vervang indien nodig. |
| 07 | Oververhittingssensor - onderbreking | Defecte sensor of oxidatie van contacten in het aansluitblok. |
|
| 08 | Zie foutcode 29. | ||
| 09 | Defecte gloeiplug | Kortsluiting, onderbreking of defecte regelunit. |
|
| 10 | De elektromotor van de ventilator bereikt niet de benodigde snelheid | Verhoogde wrijving in de lagers of contact tussen de waaier en de ventilatorkap. Defecte elektromotor. |
|
| 12 | Uitschakeling, overspanning hoger dan 30V (voor 24V) of 16V (voor 12V) | Defecte spanningsregelaar of defecte accu. |
|
| 13 | De kachel start niet - twee automatische startpogingen mislukt. | Geen brandstof in de tank De brandstofkwaliteit komt niet overeen met de bedrijfsomstandigheden bij lage temperaturen. Verstopt uitlaatkanaal of verbrandingsluchtinlaat. Onvoldoende voorverwarming van de gloeiplug, defecte regelunit. De waaier raakt de ventilatorkap in de blazer, waardoor de luchtstroom naar de verbrandingskamer wordt verminderd. De behuizing van de gloeiplug in de verbrandingskamer is verstopt. Verstopte gloeiplugzeef of deze is niet volledig in de behuizing geplaatst. | Vul de tank bij.
Maak de luchtinlaat of het uitlaatkanaal schoon van eventuele verstoppingen.
Vervang de blazer na het vaststellen van de storing. Maak het gloeipluggat schoon. Vervang de gloeiplugzeef indien nodig. |
| 15 | Uitschakeling, onderspanning lager dan 20V (voor 24V) of 10V (voor 12V) | Defecte spanningsregelaar of defecte accu. |
|
| 16 | Tijdens de purgetijd werd de temperatuursensor niet voldoende gekoeld | De temperatuursensor werd niet voldoende gekoeld tijdens de 5 minuten durende purgefase vóór opstart. |
|
| 17 | Defecte brandstofpomp | Kortsluiting of open circuit in de bedrading van de brandstofpomp. |
|
| 20 | De kachel start niet. | Doorgebrande zekeringen op de stroomkabel. Geen communicatie tussen de controller en de regelunit. De controller ontvangt geen gegevens van de regelunit. | Controleer de zekeringen en vervang deze indien nodig. Controleer de connectoren en de groene draad in de verbindingskabel. Verwijder oxidatie van de connectoren. Controleer de controller en de verbindingskabel, vervang deze indien nodig. Als de controller functioneel is, vervang dan de regelunit. |
| 27 | Motor draait niet | Beschadigd lager of rotor, of aanwezigheid van vreemde objecten. |
|
| 28 | Motor draait, maar snelheid wordt niet geregeld | Defecte elektronische besturingskaart van de motor of de regelunit. | Vervang de ventilatormotor. |
| 08 of 29 | Vlamuitval tijdens de werking van de kachel. | Onvoldoende brandstoftoevoer. Defecte brandstofpomp. Defecte vlamindicator. |
|
| 30 | Verwarming start niet | Geen communicatie tussen de controller en de regelunit. Regelunit ontvangt geen gegevens van de controller. |
|
| 78 | Vlamuitval tijdens werking | Luchtbel in het brandstofsysteem, defecte brandstofpomp of defecte vlamindicator. |
|